Weer leren samenwerken met de natuur

Deze blog is de eerste van een serie over vernieuwende denkers en doeners in de wereld van natuurbeheer, landbouw en bewustzijnsontwikkeling. Hoe dragen zij bij aan herstel van verbinding tussen mens en natuur? Hoe zien zij de samenhang tussen onze binnen- en buitenwereld? Welke lessen vallen er te trekken uit hun visies en ervaringen? Deze keer: op pad met natuurbeheerder Gerrit-Jan Spek.


Op een koude winterdag reis ik af naar Vaassen (nabij Apeldoorn) voor een afspraak met faunadeskundige Gerrit-Jan Spek. Zoals het bij een natuurmens past, woont hij midden in het bos, in een beheerdershoeve, met een warm snorrende houtkachel in de woonkeuken. Een kruidig geurende wild stoofpot staat te garen in de oven. Ik zit nog nauwelijks aan tafel of Gerrit-Jan steekt al van wal met wat hij te zeggen heeft. Een gepassioneerd betoog over hoe alles met alles samenhangt in de natuur en hoe we dat als samenleving uit het oog verloren zijn, met alle gevolgen van dien. Zijn motto: “Vertrouw op de natuur, alle oplossingen zijn er voorhanden en meestal gratis.”

De bodem weer gaan voeden
Een mooie illustratie van dat motto is hoe Gerrit-Jan aankijkt tegen het heidebeheer op de Veluwe. Heide is ontstaan als gevolg van de eeuwenlange uitputting van de Veluwe door menselijk toedoen. Toen vanaf de Middeleeuwen het bosrijke gebied werd opengelegd voor akkerbouw, werden er voor bemesting van de akkers schapen ingezet en de grond geplagd. Daardoor verschraalde de bodem steeds meer, tot woestijnvorming aan toe. Om het stuifzand vast te leggen is het gebied toen vol gepoot met grove den (tevens stuthout voor de kolenmijnen). Maar zowel heide als grove den vormen een zuur systeem, waarin veel leven niet kan gedijen. Dat wordt nog versterkt door de hoge input van stikstof uit de intensieve landbouw en veehouderij. De voedselpiramide op de Veluwe begint te haperen, zoals blijkt uit de neergang van de sperwer aan de top en de eik lager in de piramide. Toch willen we dat zure systeem nu met veel geld in stand houden, omdat we de hei een mooi landschap zijn gaan vinden. Geen slimme keuze, meent Gerrit-Jan. Want technische maatregelen zoals steenmeel toevoegen helpen misschien tijdelijk voor bodemverbetering en zuurbuffering, maar nemen de oorzaken van verschraling en uitputting niet weg.

De sleutel voor herstel van het systeem is dat we de bodem weer gaan voeden. De bodem is onze buffer voor waterberging, voor voedingsstoffen voor ons voedsel, voor het vastleggen van stikstof, etc. Voor een levende bodem hoeven we niet veel meer te doen dan te stoppen met verschralen en de organische stof laten liggen waar het gegroeid is. Nu halen we al het hout weg om de heide in stand te houden, terwijl inheemse loofbomen die spontaan verschijnen, zoals berk, boswilg en ratelpopulier, juist helpen om de verzuring tegen te gaan. Zij zorgen met hun blad, stam en takhout voor de voeding van de bodem. We kunnen met elkaar besluiten om een aantal heidevelden in stand te houden vanwege hun cultuurhistorische waarde. Maar uiteindelijk gaat het om de zorgvuldige afweging tussen wat we mooi vinden en wat goed is voor onze aarde.

De natuur doet het misschien anders dan wij het zouden bedenken of willen, maar ze lost zelf de verzuring en afnemende biodiversiteit op. Gratis. En in no time. Het gaat om een andere manier van denken en kijken naar de natuur, als één groot samenhangend systeem.”

Inzicht in samenhangen
We hebben niet meer (losse) informatie nodig, aldus Gerrit-Jan, maar inzicht in de samenhangen. Zo hebben reeën en runderen bijvoorbeeld, elk een eigen voedselstrategie, gedrag en leefwijze. Reeën behoeven een gevarieerde vegetatie van planten met voldoende celinhoud. Ze zijn snoepers. Hun bek is als een pincet, waarmee ze de geschikte (jonge) delen van planten selecteren. Het rund is een grazer die met zijn brede bek met grote happen voor zijn neus weg graast. Hij heeft ’s winters genoeg aan dor en dood materiaal, omdat zijn systeem ook de celwand van planten kan verteren. Een ree zou daarvan dood gaan. Vanuit deze behoefte aan diversiteit is het ree ook een goede indicator voor een gevarieerde vegetatie qua soorten en structuur. Verdwijnt het ree, dan zijn veel andere soorten mogelijk ook al verdwenen of in gevaar.

Als je vanuit dit besef naar de Oostvaardersplassen kijkt, zie je volgens Gerrit-Jan hoe we daar een incompleet systeem hebben gecreëerd. We hebben er edelherten, paarden en runderen in gezet zonder predatoren zoals de wolf en zonder verbindingen met de omringende natuur. De reeën – een gespecialiseerde soort dus – verdwijnen er snel omdat ze hun voedsel kwijtraken aan de edelherten en paarden die in staat zijn elke vierkante centimeter te benutten. Ook veel planten verdwijnen omdat ze niet bestand zijn tegen de intensieve graasdruk van de uitdijende edelherten- en paardenstand. En met deze planten verdwijnen de insecten, de vlinders en de vogels die van deze planten afhankelijk zijn. Het systeem wordt qua biodiversiteit uitgehold en daardoor storingsgevoeliger. Je mag wat er met het ree is gebeurd ook verwachten voor de andere specialist, het Heckrund. Het gras wordt te kort voor deze grazer met dikke lippen.

De beste manier om zo’n gebied weer meer als systeem te laten functioneren zou zijn door de voorwaarden te scheppen, waardoor de Oostvaardersplassen onderdeel kan worden van het Noordwest Europese leefgebied van de wolf. De Provincie Flevoland is als beleidsverantwoordelijke nu aan zet. Laat ze het de natuur zelf oplossen (wat de natuur hoe dan ook zal doen, desnoods met massale sterfte van grote grazers), of gaat ze het technisch oplossen met nieuwe beheersmaatregelen?

Een vergelijkbaar gebrek aan erkenning van samenhangen ziet Gerrit-Jan ook bij het vogelgriepvirus. Met de industrialisering van de pluimveehouderij hebben we als mens de juiste omstandigheden voor virusuitbraken gecreëerd: extreme dichtheden van grote aantallen dieren die voor één doel worden gefokt en daardoor veel van hun natuurlijke weerstand kwijt raken. Vervolgens vliegen we daarmee de hele wereld over. Trekvogels weten al miljoenen jaren succesvol met virusinfecties om te gaan. In plaats van trekvogels de schuld van vogelgriepuitbraken in de schoenen te schuiven, zegt vogeldeskundige Rob Bijlsma, zouden trekvogels de mens moeten aanklagen als veroorzakers van sterfte onder trekvogels. Maar wij schuiven ons falen af op dieren. Dat dit niet alleen de vogelgriep betreft, blijkt uit het schrikbarende beeld dat oprijst uit allerlei wetenschappelijk onderzoek van door mensen gefaciliteerde infectieziekten onder wilde dieren. Het optreden van dit soort ziekten zouden we als signaal moeten ervaren dat we op een dieronwaardige manier met onze medeschepselen omgaan.

Verbanden zien
Heel het betoog van Gerrit-Jan is één groot pleidooi om anders te gaan kijken. Het gaat om dingen weer completer te maken. Nu hakken we alles in stukjes: het waterschap doet de watergangen, de boeren bewerken hun stuk land, natuurbeheerders hebben aangrenzend hun eigen gebied met hun eigen beesten. Maar uiteindelijk gebeurt het allemaal in hetzelfde landschap. Hoe zou het zijn als je de koeien van de boeren de planten in de sloot laat vreten? Als je een iets bredere sloot hebt en je koeien toestaat daar een tijdje in te lopen, krijg je een gevarieerdere vegetatie en gevarieerdere poep. Diezelfde koeien kunnen ook een rol spelen in het aangrenzende natuurgebied. Alleen geen permanente rol, daarvoor zijn onze gebieden meestal te klein. Dan gaat het weer ten koste van je biodiversiteit. Eigenlijk gaat het erom onze koeien hun oorspronkelijke rol terug te geven als verbindende factor in het landschap, waarin landbouw en natuur samenwerken. Dit sluit aan bij ontwikkelingen rond ‘natuurinclusieve landbouw’.

“De kunst is om weer te gaan denken in samenhangen. Elke plant en elk dier heeft een functie in het systeem. De natuur laat ze uit zichzelf verschijnen, op het juiste tijdstip en op de juiste plek. Haal je daar een deel van weg, dan verzwak je het hele systeem.”

Zo heeft ook elke boom z’n eigen mineraal. Op het moment dat we inheemse loofboomsoorten weer ruimte geven, maken die de bodem in orde. Op het moment dat we zwijnen weer ruimte gunnen, brengen die woekerende exoten onder controle. Wanneer we bevers weer hun gang laten gaan in waterlopen, brengen die meer balans terug dan wij kunnen bedenken. Het hoeft niet meteen groot, maar kan dichtbij beginnen, in de eigen tuin of het openbare plantsoen. Niet meer elk blaadje of takje weghalen, maar mensen er toe bewegen om hun blad en planten te laten liggen en dan te zien wat er gebeurt. Eigenlijk alle organische stof is hiervoor geschikt, dus ook karton, papier, hout, etc. In het dorp Todmorden in Engeland zijn een paar vrouwen begonnen met in hun eigen tuin alles te laten liggen. Daarna zijn ze met openbaar groen aan de gang gegaan. Het dorp is inmiddels incredible edible en dat verbreidt zich als een olievlek. Iets dergelijks zou je ook met kinderen op scholen kunnen doen. Niet alleen vertellen, maar ze ook zelf laten ervaren wat het voeden van de bodem doet met bodemleven en de groei van planten.

“Het belangrijkste is steeds dat we onze organische stof moeten koesteren en voldoende achterlaten daar waar het gegroeid is: in het bos, op de hei, op de landbouwgronden. Het is het voedsel voor onze bodem. Als de bodem gezond is en als systeem kan functioneren, voorziet het de planten en dieren (en mensen!) van de juiste voedingsstoffen die nodig zijn. Dan wordt het systeem weer compleet, zelfhelend en zelfvoorzienend.”

Ingebouwde intelligentie
Het lijkt wel of mijn vragen een onuitputtelijk reservoir openen in Gerrit-Jan. Voorbeelden, verbanden en inzichten buitelen over elkaar heen. We nemen even pauze en gaan met de hond wandelen in het bos. De grond is nog licht bevroren, afgevallen blad knispert onder onze voeten. Nauwelijks zijn we het erf af, of we zien een edelhert een open veld oversteken. Het dier heeft een mooie donkere vacht en groot gewei. Een zeldzame ontmoeting, zo midden op de dag.

In een divers stuk bos laat Gerrit-Jan me zien wat hij bedoelt met hoe de natuur zelf voor een natuurlijke bosontwikkeling zorgt, zodra de mens stopt met het in stand houden van een monocultuur en toevoer van stikstof. We zien een mix van elzen, berken, grove dennen en ratelpopulier die hier vanzelf zijn gaan groeien. De snel groeiende ratelpopulier is voor een deel alweer omgevallen en vermolmd, en zo een bron van humus voor de bodem. Al het hout hier is prachtig hout dat je zo zou kunnen gebruiken. Je hoeft er dus niet vanaf te blijven, maar het anders te beheren, meewerkend met waar de natuur zelf heen wil. En bij de houtoogst niet langer voorop stellen wat het meeste geld oplevert, maar wat toelaatbaar is voor het systeem, zodat het zich kan door ontwikkelen.

Het verwondert Gerrit-Jan nog elke dag, de genialiteit van de natuur om te doen wat goed is voor het geheel, zonder dat er iemand aan de knoppen zit te draaien. “Hoe weet een bever dat hij een dam moet bouwen? Dat heeft hij niet geleerd, die kennis zit in hem. Dat geldt ook voor de wisselwerking tussen dieren. Ze beseffen misschien niet dat ze het weten. Ze doen het gewoon, en doen daarmee wat goed is voor de ontwikkeling van het geheel. Elke plant en dier, elke interactie, heeft z’n functie en rol. Hoe completer het systeem is, hoe complexer het wordt. En dat ontwikkelt zich nog steeds door. De hele evolutie zit in dit samenspel. Het zit ingebouwd in de codes van het geheel.” Het enige wat we als mens hoeven te doen, is de voorwaarden scheppen.

“We hoeven ons niet afzijdig te houden. Wij zijn het die de keuze hebben tussen korte termijn gewin ten koste van de natuur of de voorwaarden scheppen dat de evolutionaire systemen zich verder kunnen ontwikkelen. Verder hoeven we bij wijze van spreken alleen maar achterover te leunen en te zien dat het goed is.”

Naar een ecologische economie
Teruggekomen van de wandeling, hebben we intussen trek gekregen. Tijdens het klaarmaken van het eten komt ons gesprek op de betekenis van het denken in natuurlijke samenhangen voor onze samenleving en economie. Aan de ene kant zie je een sterke maatschappelijke beweging die weer naar harmonie met de natuur verlangt. Maar aan de andere kant is er ook een sterke fascinatie met technologie, waardoor we steeds verder van de natuur af komen te staan.

Volgens Gerrit-Jan is de technologische ontwikkeling als zodanig niet het probleem, want ook dat is deel van het evolutionaire proces. De vraag is welke keuzes we maken, welke technologie van waarde is voor onze aarde. Ditzelfde geldt voor ons financieel-economische systeem. Bij gebrek aan heldere lange termijn doelen over hoe we als mensheid met elkaar en met onze aarde om willen gaan, proberen we overal geld uit te genereren. Terwijl de natuur, de lucht en de bodem – de bronnen van onze rijkdom – in wezen niet van ons zijn, maar te leen zijn van toekomstige generaties. Misschien, zo oppert Gerrit-Jan, is het ook wel deel van de grote intelligentie van de natuur, dat steeds opnieuw inspirerende mensen en sociale hervormers verschijnen om de mensheid te wijzen op wat er fout gaat en hun bijdrage te leveren aan het heel en compleet maken van het leven op aarde. Een intrigerende gedachte!

De natuur als spiegel
Als ik aan het eind van de middag afscheid neem en terugreis naar huis, kijk ik met andere ogen naar de natuur om me heen. Waarom zouden we eigenlijk met veel geld en moeite een heidelandschap open willen houden, terwijl de natuurlijke drang tot diversiteit beter dan wat ook verzuring en verschraling tegen gaat? Hoe logisch is het om tegen steeds hogere kosten het Zuid-Hollandse veenweidegebied te blijven ontwateren, terwijl daarmee de grond alleen maar verder inklinkt en verarmt? Wat doen we eigenlijk wanneer we ‘schadelijke’ dieren en planten blijven bestrijden, terwijl ze verschijnen omdat het systeem heel wil zijn en niet goed functioneert zonder de diensten die zij leveren (mineralen, biomassa, etc.)? Of wanneer we overal spontane vegetaties maaien en kappen en verkopen als biomassa, terwijl dieren van klein tot groot daarin hun voedsel, bescherming en leefgebied vinden en het voeding voor bomen is? Veel nieuwe vragen, die de moeite van het overdenken waard zijn.

Uiteindelijk is alles wat we zien gebeuren in de natuur een spiegel voor hoe wij met haar omgaan. Ze houdt ons de vraag voor of we willen doorgaan om de natuur onze wil op te leggen vanuit onze eigen denksystemen en geldelijk gewin, met alle negatieve gevolgen vandien. Of dat we de vrijheid durven te nemen om open te observeren en creatief samen te werken met de natuur. Met erkenning van de eigen waarde en onderlinge afhankelijkheid van elk element. En met zorg voor een houdbare, gezonde balans tussen geven en nemen.

“Als we natuurlijke systemen hun gang laten gaan en in afstemming daarmee sturen op randvoorwaarden en soorten, dan wordt de aarde verzorgd en kunnen en mogen wij een deel van de overdaad gebruiken. Alles is er, buiten en in ons. We hoeven het alleen maar te omarmen.”


Over Gerrit-Jan Spek
Als telg uit een geslacht van Veluwse stropers, keuterboeren en boswerkers kent Gerrit-Jan (1960) de Veluwe als geen ander. Van jongs af aan ging hij met z’n vader het bos in en leerde al wandelend, luisterend en observerend veel over het gedrag van planten, dieren en het bos. Zijn opleiding aan de hogere bosbouw en cultuurtechnische school (HBCS) in Velp reikte hem extra kennis aan, maar ook een technische visie op bosbeheer die niet altijd strookte met zijn ervaring en interesse in grote dieren. Na wat tijdelijk werk richtte hij een eigen fauna adviesbureau op. In 2014 bundelde hij de krachten met collega Rik Schoon in het bureau Natuurlijk! Fauna-Advies.

Foto edelherten Oostvaardersplassen: Staatsbosbeheer

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.