Bomentaal

P1050471

“Toen ik mijn professionele loopbaan als houtvester begon, wist ik ongeveer evenveel van het verborgen leven van bomen als een slager van de gevoelens van dieren. De moderne bosbouw produceert hout, dat wil zeggen: er worden stammen geveld en vervolgens weer nieuwe boompjes geplant.” 

Met deze woorden opent Duitse boswachter Peter Wohlleben zijn opzienbarende boek “Het verborgen leven van bomen”. Jarenlang deed hij wat hij in zijn opleiding had geleerd, bomen keuren en beheren op hun productiviteit. Totdat zijn contacten met bezoekers van het bos hem geleidelijk weer leerden zien met onbevangen blik. Kromme, knoestige stammen of een zacht vachtje van mos op de stam deden mensen meer dan rijen sparren strak in het gelid. Zijn liefde voor de natuur, die hij als kind al had, ontvlamde opnieuw. Hij ging anders kijken, andere vragen stellen. Elke dag in het bos werd een ontdekkingsreis. Het bos ging langzaam haar geheimen prijsgeven.

Zo blijken bomen zeer sociale wezens te zijn. Via hun wortels en ondergrondse schimmelnetwerken delen ze voedsel met soortgenoten. De redenen daarvoor zijn hetzelfde als bij menselijke samenlevingen of bij kuddedieren zoals olifanten: samen sta je sterker. Een boom alleen is kwetsbaar voor weer en wind. Veel bomen samen zorgen voor een ecosysteem dat extreme warmte, kou en droogte weerstaat. Elke boom, zegt Wohlleben, is waardevol voor de gemeenschap en verdient het zo lang mogelijk behouden te blijven. Daarom worden zelfs zieke exemplaren ondersteund en voorzien van voedingsstoffen tot het weer beter met hen gaat. Daarom ook stemmen naast elkaar staande bomen van eenzelfde soort hun takkengroei op elkaar af, zodat beiden voldoende licht kunnen opvangen. Krachtige kroondelen vormen ze alleen naar de buitenkant, in de richting van bomen waarmee ze niet bevriend zijn. Zulke paren zijn via hun wortels zo innig verbonden dat ze vaak zelfs samen doodgaan.

Het hele boek staat vol van dergelijke observaties en inzichten (waarvoor in veel gevallen ook steeds meer wetenschappelijke onderbouwing komt). Bijvoorbeeld over hoe bomen hun “kinderen opvoeden”. Door het dichte bladerdak van volwassen bomen dringt maar een paar procent van het zonlicht tot de bodem door en kunnen jonge boompjes niet anders dan langzaam groeien. “Een pedagogische maatregel voor de bestwil van de kleintjes”, volgens Wohlleben. Door de trage groei zijn de houtcellen binnenin klein, wat ze flexibeler en resistenter maakt tegen breuk door storm en hun weerstand tegen schimmels verhoogt. Pas als hun ouders een keer doodgaan van ouderdom, komt er ruimte en licht om de vrijgekomen plek in te nemen. Dan zijn de jonge bomen vaak al 100 – 200 jaar oud, dwz. jongvolwassen gemeten in bomentijd.

Als lezer wordt je gaandeweg het boek veel wijzer over het verborgen leven van bomen. Voortplantingsstrategieën, aanpassingsvermogen, samenwerkingsverbanden met insecten, schimmels en bacteriën, geursignalen (en de vaak heilzame werking daarvan op mensen) – het komt allemaal aan de orde. Het meest verrassend vond ik dat bomen een brein lijken te hebben in hun wortels: hersenachtige, neuronale structuren en moleculen die zorgen voor signaaloverdracht als de wortel in de aarde tastend zijn weg zoekt. En vervolgens voor gedragsverandering, zoals een andere groeirichting op te natte of ondoordringbare grond.

P1040138

Enkele critici verwijten Wohlleben dat hij te ver gaat door bomen gevoelens en zelfs bewustzijn toe te schrijven. Maar Wohlleben is een man met een boodschap die zijn taal bewust gekozen heeft. Mij raakt en overtuigt hij met zijn punt dat het onderscheid tussen planten en dieren niet zo groot en absoluut is als wij denken. Dat we het zoveel moeilijker vinden om planten te begrijpen dan dieren komt door de geschiedenis van de evolutie, die ons al heel vroeg van het groen heeft gescheiden. Onze zintuigen zitten anders in elkaar, we voeden ons anders: de ene bedrijft fotosynthese, de andere eet levende wezens. Maar wezenlijk is dit onderscheid volgens Wohlleben niet. Grote verschillen zijn er alleen in het tijdsbestek waarin informatie wordt verwerkt en in handelingen wordt omgezet. Bomen zijn langzame wezens. Hun kindertijd en jeugd duren tien keer zo lang als de onze, hun hele levensduur is minstens vijf keer zo lang. Maar zijn langzame wezens automatisch inferieur aan snelle?

De vraag stellen is hem beantwoorden. Wohlleben vermoedt dat we misschien wel bang zijn dat we bomen en ander groen met meer respect zouden moeten behandelen als onomstotelijk zou worden vastgesteld hoezeer ze in veel opzichten op dieren lijken. Als het zo is dat planten, evenals dieren, wezens zijn met gevoel en bewustzijn, en geen objecten zonder bewustzijn die we naar believen voor eigen doelen kunnen gebruiken, dan verleent dat ook planten een eigen waardigheid – en rechten. In onze omgang met dieren begint dit bewustzijn steeds meer door te dringen, getuige bijvoorbeeld de acties tegen plofkippen, legbatterijen en bio-industrie. Met alle nieuwe kennis over het leven van bomen en planten, kunnen we nu echter ook niet meer achteloos doorgaan met het doden en gebruiken van planten en bomen voor onze eigen doeleinden. Wat dan wel?

Radicaal stoppen met het gebruik van hout en ander plantaardig materiaal is niet aan de orde. We zijn zelf onderdeel van de natuur en hebben organische substanties van andere soorten nodig om te kunnen overleven. Wohlleben’s punt is dan ook veeleer of we niet meer nemen dan we nodig hebben en of we bomen, net zoals dieren, onnodig leed zouden kunnen besparen. Houtverbruik is in orde, als de bomen passend bij hun natuurlijke behoeften kunnen leven. Dwz. hun sociale behoeften kunnen ontplooien, in een echt bosklimaat met intacte bodems, en hun kennis aan volgende generaties kunnen doorgeven. Een eerste aanzet daartoe is er al in Zwitserland, waar in de grondwet is vastgelegd dat “ … in de omgang met dieren, planten en andere organismen rekening gehouden moet worden met de waardigheid van de schepping.” Ook in Duitsland hebben politieke partijen consensus bereikt over dat minstens 5 procent van de bossen aan zijn lot moet worden overgelaten, zodat dat de oerbossen van morgen kunnen worden. Nog niet veel misschien, maar tenminste een begin.

In Nederland, waar we sinds mensenheugenis niet veel bossen hebben gehad, zijn we zover nog niet. Maar wat veel zou uitmaken is wanneer we van nu af aan anders naar de bomen in ons (stads)landschap zouden gaan kijken. Zien we gebruiksvoorwerpen, nuttig voor schaduw, windscherm, bouw- of haardhout? Of zien we levende wezens, met een eigen “verborgen leven” wat de moeite waard is om te leren kennen? Voorbij de materiële voordelen die bomen voor ons hebben, is er nog een wereld te ontdekken met een eigen taal en eigen wetten. De grootste voldoening daarvan is misschien nog wel dat we, door hoofd, hart en zintuigen te openen voor wat dieren en bomen ons kunnen leren, weer deel krijgen aan de volheid van het bestaan: het web van tienduizenden soorten die met elkaar verweven en van elkaar afhankelijk zijn.

SAM_4070.JPG

 

3 thoughts on “Bomentaal

  1. Ik had alleen een interview met Wohlleben gelezen, maar was ook hogelijk geïntrigeerd. Dankjewel voor deze mooie beschrijving. Het grote punt is dat wij in onze verhouding met alle andere onderdelen van de schepping onszelf als maatstaf nemen. Antrocentrisme. De kritiek op Wohlleben is dat hij het omgekeerde doet: antropomorfisme. “Bomen zijn eigenlijk net zoals wij.” Niet eens het omgekeerde dus, wij zijn nog altijd maatstaf voor al het andere leven. Voor een deel doet Wohlleben dat ook, misschien. Maar wat hij óók doet is laten zien wat voor unieke, eigenstandige wezens bomen zijn. Met andere woorden: hij weet iets van de eigenheid en dus het anders zijn van bomen te laten zien. Niet louter willekeurig instrument voor mensen. ‘De boom als ander’, dat zou een mooie titel zijn.

    1. Dank je wel voor deze mooie titelsuggestie!
      M.i. doet de kritiek van antropomorfisme Wohlleben geen recht. Hij gaat zover niet, maar wil vooral laten zien dat de wereld van bomen veel meer omvat dan wij gewoonlijk denken. Het zijn wezens met een unieke eigenheid, inderdaad.

  2. Hoi Lisette,
    Mijn ervaring met een bijzondere boom.
    In 1964 was ik voor mijn werkgever in California en op een vrijdagmiddag besloot ik naar het Sequoia National Park in de Sierra Nevada te gaan. Daar staat een sequoia met de naam General Sherman Tree, het grootste levende wezen op aarde. Toen ik er voor stond voelde ik een rilling van ontzag langs mijn rug gaan en kreeg kippenvel. Hij groeide op toen de laatste pyramide voltooid was; hij was al duizend jaar oud toen Confucius en Boeddah hun leer verspreidden; hij was al 1500 jaar toen Jezus Christus ten tonele verscheen en al 3000 jaar oud toen Columbus Amerika ontdekte (dacht hij). En hij staat er nog steeds, denk ik, in elk geval nog toen ik er in 1984 met een promovendus langs ging. En dan te bedenken dat er van deze fantastische bomen nog maar 5% staat van de oorspronkelijke bossen. Hout, gratis handelswaar! Hoe ego-istisch kunnen mensen toch zijn, hoe wordt de natuur genadeloos uitgebuit. Jouw verhaal over Wohlleben geeft weer een beetje troost.
    Vriendelijke groeten,
    Wim Merck.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.